HET LEENSTELSEL: OORSPRONG EN LATERE EVOLUTIE
ONTSTAAN, DEFINITIE EN VORM
- is een plechtige en wederkerige overeenkomt die leidt tot persoonlijke (raad en daad, bescherming en onderhoud) en zakelijke (complementaire machtpositie op een leen) recht.
- de vorst streeft naar een zo groot mogelijk aantal krijger. Dit past uitstekend bij de taak van een vazal, die in de eerste plaats zijn heer moet dienen (auxilium). Voorts voltrekt zich een sociale promotie van de vazal.
- Merovingertijd: vazaliteit en benificium apart; Karolingertijd: geleidelijke aan samen.
- Formaliteiten:
- Leenman legt “manschap” of “leenhulde”=hommagium af: op de kniee n gaan zitten en de samengevouwen handen in de handen van de heer te leggen.
- Vervolgens zweren beide partijen elkaar trouw. Aanvankelijk met kus of omhelzing, later verdween dit door vrouwen die lenen verwierven.
- Heer draagt leengoed over: “belening” of “investituur”: waarbij de heer door de overhandiging van een symbolisch voorwerp of een handeling de vazal in het bezit stelt van het leen: hierdoor verwerft de vazal de “saisine” of “were”: krijgt het genot over het leen.
- Persoonlijke elementen: manschap en wederzijdse trouw. Zakelijk element: leengoed: leenman heeft het dominium utile, leenheer dominium eminens -> naakte eigendom.
- Term: beneficium wordt verdrongen door het van oorsprong Germaanse woord feod (minderwaardig goed) waarvan de betekenis van dit nu in het Gallo-Romeins opgenomen woord verschuift naar ‘goed dat dient om een vazal te onderhouden’: zowel roerend als onroerend goed. Het zuiver Germaanse woord leen of Lehen stelt minder problemen en neemt bij de opkomst van het Middelnederlands gemakkelijke de plaats in van beneficium of feodum.

